Woord

  • xylofoon
  • Quiz
  • Bekend zuivelproduct, vaak als ontbijt gegeten.

  • woord
  • Verplaatsingsmiddel op twee wielen, typisch NL.

  • Kledingstuk voor bovenlichaam, vaak met knopen.

  • Citrusvrucht, zuur geel, vaak gebruikt in thee.

  • Algemeen voorwerp of zaak, heel basiswoord.

  • Nederlands woord, betekent 'straattaal' of 'jargon'.

  • Kleurwoord, in heel het Nederlands gebruikt.

  • Bijvoeglijk naamwoord voor iets geks, vreemd.

  • Algemeen Nederlands woord, betekent voedsel.

  • Algemene Nederlandse begroeting, komt van ‘hallo’.

  • Algemeen Nederlands woord voor een fruitsoort.

  • Lichaamsoefeningen en meditatie, leenwoord maar ingeburgerd.

  • Nederlands voorzetsel/bijwoord, heel gebruikelijk

  • Algemeen Nederlands woord voor grote watermassa.

  • Veelgebruikt bijwoord van tijd in het Nederlands.

  • Basiswoord in het Nederlands, vloeistof H2O.

  • Verwijst naar een persoon, heel gebruikelijk.

  • Een bekend Nederlands woord voor een ernstige ziekte.

  • Algemeen Nederlands woord voor je moeder.

  • Algemene ontkenning in spreektaal, kort voor "nee".

  • Lichaamsdeel om mee te horen, zit aan je hoofd.

  • Nederlands zelfstandig naamwoord, een vogel

  • Algemeen Nederlands zelfstandig naamwoord, dier.

  • Nederlands bijvoeglijk naamwoord, betekenis ‘fraai’.

  • Veelgebruikt woord, dier uit de dierentuin.

  • Nederlands zelfstandig naamwoord, tijdseenheid

  • Kaas is een zuivelproduct van melk, typisch Nederlands.

  • Nederlands woord, o.a. ‘huis’ of ‘stom’.

  • Eetbare vrucht, algemeen Nederlands woord.

  • Kleurwoord in het Nederlands, betekent vaak natuur.

  • Algemeen woord voor vrouwelijke ouder.

  • Veelvoorkomend bijwoord in het Nederlands.

  • Veelgebruikt voorzetsel in het Nederlands.

  • Fijn korrelig materiaal op strand en in woestijn.

  • groot
  • Vogeldier dat vaak in vijvers zwemt.

  • Stekelige woestijnplant, populair als kamerplant.

  • Lidwoord of telwoord in het Nederlands.

  • Algemeen bijvoeglijk naamwoord, positieve waarde.

  • Veelgebruikt woord voor een woning of gebouw.

  • Ster in ons zonnestelsel, geeft licht en warmte.

  • Algemeen bijvoeglijk naamwoord, betekent ‘niet kort’.

  • Klein stekelig zoogdier in Europa.

  • Bijvoeglijk naamwoord, betekent ‘niet dun’.

  • Informele begroeting in het Nederlands, kort voor hallo.

  • Lichaamsdeel in je mond, goed Nederlands woord.

  • Kan kroon, biermerk of virus aanduiden.

  • Echt NL woord, eetbaar vloeibaar gerecht.

  • Gewoon Nederlands woord voor een dier

  • Vloeistof om mee te schrijven of drukken.

  • Zelfstandig naamwoord, levend organisme.

  • Muziekinstrument waar je op blaast.

  • Basis kleurterm, veelgebruikt in het Nederlands.

  • Algemeen Nederlands woord, populaire vrucht.

  • Nederlands woord voor lichaamsvloeistof

  • De uitstekende ademhalingsorgaan in het gezicht.

  • Ingeburgerd woord voor ‘gaaf’ of ‘koel’.

  • Nederlands woord voor een toegang in een muur.

  • Lastdier, ook scheldwoord in spreektaal.

  • Bekend hoefdier met zwart-wit strepen uit Afrika.

  • Veelgebruikt Nederlands woord voor leeswerk.

  • Bekend woord voor een vliegend dier.

  • Veelvoorkomend woord voor het dier, huisdier ook.

  • Mannelijk kind of jongeman in het Nederlands.

  • Bijwoord/bijvoeglijk naamwoord, heel gewoon.

  • Bekend woord, rond speelvoorwerp.

  • Veelgebruikt werkwoord ‘zich voortbewegen’.

  • Nederlands woord voor onze natuurlijke satelliet.

  • Een ingeburgerde uitroep van enthousiasme of instemming 🎉

  • Informele vorm van "niets", veelgebruikt.

  • Nederlands woord, melkorgaan van koe/geit

  • Nederlands woord voor agrarische werknemer.

  • Betekent alle mensen samen, vaak gebruikt.

  • Nederlands woord voor lichaamsbeharing of kapsel.

  • Lichaamsdeel om mee te zien, heel bekend woord.

  • Circusartiest met schmink en gekke streken.

  • Bijvoeglijk naamwoord voor iets vervelends.

  • Bijvoeglijk naamwoord/werkwoord, niet dicht.

  • Keukenapparaat om eten in te bakken of garen.

  • anus
  • Nederlands werkwoord én bevel om te stoppen.

  • Nederlands woord, einde van het leven.

  • Onbepaald voornaamwoord: geen enkel persoon.

  • Basisvoedsel in Nederland, veel gegeten.

  • Reizend gezelschap met acrobaten en clowns.

  • Ontkenningswoord, hoort bij basisgrammatica.

  • Gewoon Nederlands woord voor een volwassen man.

  • Algemeen Nederlands woord voor grijporgaan, ledemaat.

  • Nederlands woord voor bovenste deel van het lichaam.

  • Lichaamsdeel van de voet, heel gebruikelijk.

  • Een alledaags Nederlands woord voor een meubel 📚

  • Kat is een huisdier, populair als gezelschapsdier.

  • Kast is een meubel om spullen in op te bergen.

  • Nederlands woord voor het bovenste deel van een huis.

  • Bekend woord, groot zoogdier of drankje.

  • Bijvoeglijk naamwoord: die verjaardag heeft.

  • Gereedschap om hout of ander materiaal te zagen.

A Woord listán szereplő szavak olyan szavak, amelyeket a Ország Város szójáték játékosai lejátszott játékokban írtak, gyakoriság szerint rendezve.